CNR-logo

de website ] de hobby ] de club ] de leden ] de teksten ] de weblinks ]

 

imitatie-talent

 

Start
Terug

 

 

 

Het imitatie-talent van vogels

Wim Rougoor

In het algemeen wordt de zang van een Grauwe Vliegenvanger en de zang van gorzen niet hoog aangeslagen. Daar tegenover staat de Nachtegaal bij ons bekend als de 'Koning der Zangvogels'. Deze titel is nogal discutabel, maar daarom is zijn zang niet minder mooi. De normale zang van een Nachtegaal bestaat uit een vast aantal strofen. Vaak meer dan tien, maar meestal niet meer dan twintig [Hindley 1990, Thijsse 1965]. Zelden laat een Nachtegaal imitaties horen. Thijsse [Thijsse 1965] beschrijft dat eens zowel een Nachtegaal als een Gekraagde Roodstaart de slag van een Vink nabootsten en daarmee de woede van een echte Vink opwekten. Misschien zijn imitaties van mechanische of natuurlijke geluiden zoals: wind, regen, krakende takken en dergelijke bij Nachtegalen wel algemener [Radford 1990,Thijsse 1965]. In vergelijking met de Nachtegaal zijn Merel en Bosrietzanger misschien wel veel flexibeler en veelzijdiger. Dit is iets dat wij niet uit tabel 1 kunnen opmaken omdat daarin alleen de gegevens van imitaties opgenomen zijn.

Ondanks of juist dankzij zijn algemeen voorkomen en zijn bekendheid is de zang van de (stads-)merel nogal miskend. Wij weten desondanks wel meer van zijn zang [Hall-Craggs 1977, Hindley 1990, James 1990]. Bijvoorbeeld de invloed van zijn stemming en de vele andere invloeden. U kent ongetwijfeld het zachte gebrabbel in het heel vroege voorjaar van een mannetje onder een kale struik. Bij een meer ervaren mannetje blijkt dan vaak wat hij voor capaciteiten in huis heeft. Dit in tegenstelling tot later in het seizoen. Dan is deze oefenzang veel minder vaak te horen. Een vogelsoort met weinig of geen imitaties behoeft nog geen saaie piet te zijn. Maar zal juist, vaker meer een 'eigen', unieke compositie hebben. Deze zijn moeilijker te beschrijven en vallen buiten dit bestek [Visser 1985]. De grens tussen nog wel enerzijds en net geen imitatie meer anderzijds is natuurlijk niet aan te geven.

Merel in sleedoornHet hele jaar door, maar zoals al opgemerkt vooral in het vroege voorjaar, treffen wij Merels aan die min of meer zacht voor zich uit zitten te zingen. Vooral deze zachte zang is muzikaal gezien rijk aan variaties. Bij het nader beluisteren rijst het vermoeden dat zij vooral dan aan het componeren zijn. Oftewel hun toekomstige repertoire bepalen. Verschillende strofen worden geprobeerd. Sommige op verschillende manieren. De een wordt al gauw terzijde gelegd als ongeschikt, een ander thema wordt diverse keren omgevormd en toch weer vergeten, weer een ander thema hoort men steeds vaker en in allerlei vormen terugkeren. Ook op 16 juni 1990 nog een Merel in de Leuvenhorst met halfzachte zang die steeds min of meer het zelfde thema bleef herhalen. Af en toe een beetje anders, maar toch overduidelijk hetzelfde fragment. Vermoedelijk was dit een jonge Merel die een zangaanloop maakte voor het komende seizoen en de concurrentie. Met het laatste had hij in elk geval succes, want hij kreeg al spoedig ruzie met een buurman. Misschien zelfs zijn vader? Een concrete vraag is: Zingen vooral jonge Merels (maar het zouden bijvoorbeeld ook Roodborsten kunnen zijn) veel imitaties of zijn het juist de oudere? Oftewel: Is het ervaring of onkundigheid die een positieve invloed heeft op het imitatietalent?

In een artikel van componist en vogelaar David Hindley [Hindley 1990] beschrijft de auteur hoe het hem jaren kostte om enkele strofen uit de Merel- en Nachtegalenzang betrouwbaar om te zetten in onze muzikale notatie. Deze moeite was enerzijds het gevolg van onze beperkte muzikale expressie en notatie, maar anderzijds vooral door de complexiteit van hun beider zang. Door de opnamen verscheidene malen te vertragen bleek onder andere dat deze vogels in staat zijn om - als het ware - meerdere solopartijen tegelijk te spelen en ook nog in verschillende toonsoorten! Op normale snelheid weergegeven is dit iets wat nauwelijks door ons gehoor kan worden onderkend.

Afzonderlijk als 'imitatie' (dus niet in tabel 1) is het onderwerp 'fluiten melodie' meegenomen om de veronderstelling te controleren dat vogels, in het bijzonder Merels, die meer heldere melodieën vertolken, een meer volwassen zang hebben en dan minder imitaties (= invloed van andere) in hun zang toelaten. Dit blijkt echter niet juist te zijn. Zie tabel 6. Ogenschijnlijk is er geen verband. Soms is de één sterker vertegenwoordigd en dan weer de ander. Opvallend is alleen het grotere verschil bij de met een * gemerkte imitaties. De stelling dat een Merel met meer melodieën een (qua zang) meer volwassen, ervaren Merel is zou nog op kunnen gaan en lijkt mij ook waarschijnlijk. Bij negentien van 45 Merels werd het fluiten van melodieën vastgesteld en bij één van de 21 Zwartkoppen.

Kwantiteit of kwaliteit

Onder andere met de gegevens uit tabel 1 kan men zich afvragen of de naam 'Spotvogel' wel terecht is omdat spotten een ander woord is voor imiteren en na-apen [Lebret 1982]. In vergelijking met andere imitators, in het bijzonder met Bosrietzangers, blijkt de Spotvogel niet zo superieur te zijn in het spotten. Wat is een goede, getalenteerde imitator? Een zanger die veel, vaak of getrouw nabootst of een combinatie hiervan? Het laatste, de combinatie van factoren, lijkt mij rechtvaardig. Helaas is het natuurgetrouw imiteren moeilijk te meten, en in een cijfer om te zetten. Op zoek naar de mogelijkheid om het imitatietalent van een vogelsoort toch uit te drukken met een cijfer, zijn wij gekomen tot de volgende formule:

IQ = Imitatie Quotiënt = de wortel uit (n SOORTEN x de FREQUENTIE)

Behalve de hierboven genoemde motivatie (het meenemen van de invloed van het veel soorten imiteren én deze vaak gebruiken) is er verder alleen een rekenkundige reden voor deze formule.

In tabel 7 met de totalen en de waarderingscijfers voor de onderzochte vogelsoorten. De soorten staan in rangorde van het IQ. In de tweede kolom het percentage imitaties dat door de betreffende soort ten gehore werd gebracht. De derde kolom geeft het gemiddelde aantal imitaties weer.

Unif. staat voor uniformiteit en geeft de mate van overeenkomst in de imitaties van individuen van één soort (0.15 - 0.53) of van alle imitaties onderling (0.07): hoe hoger het cijfer, hoe groter de overeenkomst. De uniformiteit is het grootst als alle vogels hetzelfde imiteren; dat wil zeggen een verhouding van 1:1 (= 1,00). De uniformiteit is als volgt berekend:

Unif. = n IMITATIES / n SOORTEN x n WAARNEMINGEN

De uniformiteit is dus eigenlijk het omgekeerde en het tegenovergestelde van het imitatie quotiënt: hoe groter het onderlinge verschil, des te lager de uniformiteit en hoe hoger het IQ. Helaas is de berekening van de uniformiteit sterk afhankelijk van het aantal waarnemingen, want bij slechts één waarneming is de uniformiteit het grootst!

Ten slotte: Repr. staat voor representatie. Dit is mijn persoonlijke inschatting van de overeenkomst tussen de gegevens van de opgenomen zangers en de totale Nederlandse populatie van de betreffende soort.

De ene soort is duidelijk meer gewoon om te imiteren dan de andere. De Tuinfluiter uit het begin van het verhaal, de aanleiding voor dit onderzoek, imiteerde 17 vogelsoorten. Achteraf blijkt deze vogel inderdaad bijzonder te zijn: het maximum voor zijn soort staat op zijn 'naam'. De Merel op het grasveld, die met zijn volle snavel nog imiteerde, zit met zijn 7 soorten echter maar net boven het gemiddelde voor Merels.

Tenslotte een beknopt overzicht van interessante literatuur onder andere over zang, de ontwikkeling en speciaal het imiteren door vogels. 

 

Page Update: 22-07-2015 «·» © CNR/FW