CNR-logo

de website ] de hobby ] de club ] de leden ] de teksten ] de weblinks ]

 

repetoirekeuze

 

Start
Terug

 

 

 

Populariteit & repetoirekeuze in het imitatie-talent van vogels

Wim Rougoor

Populariteit imitaties

Tegen mijn verwachting in werden het meest delen uit de zang van Koolmees, Vink en Kneu gebruikt. Als een vogel imiteert is er 39% kans op het horen van, in elk geval ÚÚn, van hen. Bij een Bosrietzanger of een Tuinfluiter is de kans op het horen van de geluiden van een Kneu zelfs 75%. Het zelfde geldt voor het horen van een Koolmees bij een Gekraagde Roodstaart of een Roodborst. In tabel 3 een opsomming van de meest nagebootste leveranciers met de bijbehorende frequentie, de percentages van het totaal aantal imitaties (2564) en het percentage van het totaal aantal waarnemingen (312). In de laatste kolom de presentie bij alle genoemde zangers (de 25 vogelsoorten). Boerenzwaluw en Huismus hebben een gedeelde vijfde plaats.

grote lijsterTezamen vertegenwoordigen deze twaalf geluiden ruim de helft van het totale aantal imitaties. Bij het luisteren naar stadsmerels, Zanglijsters en Spreeuwen rijst het vermoeden dat typische weidevogels als Kievit, Grutto, Wulp en Tureluur heel populair zijn. Dit blijkt toch niet zo sterk te zijn: Wulp, Kievit en Tureluur 17-18% en Grutto bij 8% van de zangers. Samen is dat nog geen 8% van het totale aantal imitaties. Met de Scholekster erbij - eigenlijk geen typische weidevogel meer - wordt dit net 11%. Zowel bij de Roodborst als bij de tien minder goed vertegenwoordigde vogelsoorten komen zij geen van alle voor. Het vermoeden is dan ook meer gebaseerd op de populariteit van de zangers en de herkenbaarheid van de imitaties dan op de populariteit van de imitaties!

Wat wel opgaat voor alle frequent gebruikte fragmenten is dat deze zeer algemeen zijn en gemakkelijk te horen voor de imiterende zanger. Men zou kunnen stellen dat het repertoire van een imitator wordt bepaald door het product van de algemeenheid en het volume van een bepaald geluid (kwantiteit x kwaliteit). Zeg maar: de hoorbaarheid. Met uitzondering van de Wulp zijn het allemaal talrijke vogels en vele daarvan - waaronder de Wulp - zingen of roepen in de vlucht en hebben daardoor een groter bereik. Misschien is er echter, naast de hoorbaarheid van de ge´miteerde geluiden, sprake van een biotoopbinding tussen de zanger en de ge´miteerde soort.

Repertoirekeuze

Het lijkt bij veel zangers voor een groot deel op te gaan: de soorten die zij het vaakst imiteren zijn typerend voor het biotoop waarin zij leven. Vooral als wij de zang-in-vlucht van de ge´miteerde soorten in rekening nemen. Afwijkend zijn de Witgesterde Blauwborst met geluiden van Zwarte Roodstaart en de Gekraagde Roodstaart met Boomklever, Huismus, Tjiftjaf en Zwarte Specht. De Gekraagde Roodstaart wijkt sterk van alle regels af. Zoals bij elke regel, moeten er ook afwijkingen zijn! Als wij echter bedenken dat trekvogels, zoals de Gekraagde Roodstaart, tijdens hun buitenlandse reizen diverse andere vogelsoorten leren kennen, dan zal hun repertoire zeker ook afhankelijk zijn van kennismakingen onderweg en in het overwinteringgebied.

Al bij de beschrijving van de verschillende imitators is - meer tussen de regels door - regelmatig gezinspeeld op een mogelijke relaties tussen de imitator en het ge´miteerde. Voor de duidelijkheid een samenvatting van de mogelijke relaties. Om deze vermoedens op waarheid te toetsen is nader onderzoek gewenst met meer gegevens.
de populariteit van het ge´miteerde geluid (zowel kwantitatief als kwalitatief) [James 1990, Radford 1990],
in het biotoop van de zanger komen de ge´miteerden wel/niet regelmatig voor (extra stimulans of juist een 'gat-in-de-markt'),
ook het tijdstip van de dag of in het jaar zou bepalend kunnen zijn,
de aandacht moeten trekken van potentiŰle partners kan een extra stimulans zijn maar ook juist het ontbreken van een partner,
er is een zekere verwantschap tussen imitator en ge´miteerde [Everdingen 1976],
er is een overeenkomst in fysieke bouw van de vogels,
er is een overeenkomst in de geluiden, hun zang, de gebruikte 'taal',
het imiteren is een goede leerschool bij de ontwikkeling van de zang of juist het gevolg van een goed ontwikkelde zang,
het biotoop heeft een bepaalde akoestiek dat een voorkeur noodzakelijk maakt voor een type geluid [Martens e.a. 1985, Redactie 1984].

De Gekraagde Roodstaart wil ik speciaal noemen omdat het record aan imitaties, 34 vogelsoorten, op een individu van deze soort staat. In eerste instantie had ik zelfs geen Gekraagde Roodstaarten meegenomen in het onderzoek omdat zij niet als imitator bij mij bekend stonden. Min of meer bij toeval trof ik in de Leuvenhorst een roodstaart aan met erg veel imitaties in zijn zang en daardoor vroeg ik mij af of dit 'normaal' is voor Gekraagde Roodstaarten. Hoewel niet abnormaal, later bleek deze roodstaart toch wel uitzonderlijk te zijn: het was de zanger met het hoogst aantal nabootsingen. Dat van deze roodstaart een opname werd gemaakt van ruim 20 minuten - in tegenstelling tot de meeste andere opnamen - komt juist door de grote hoeveelheid van imitaties. Bij die andere vogelsoorten is het meestal zo dat na enkele minuten luisteren er geen nieuwe imitaties meer worden gehoord. Deze Gekraagde Roodstaart was zo verrassend om na zes of zeven strofen steeds weer een nieuwe imitatie te laten horen.

grote bonte spechtDe roodstaarten hebben ook veel geluiden die door mij niet werden herkend. De 29 Gekraagde Roodstaarten lenen zich in het bijzonder voor meer inzicht in de repertoirekeuze omdat 18 exemplaren hun domicilie gekozen hadden in puur naaldbos en de 11 andere in meer gemengd bos. Hiervan een overzicht in tabel 4. Tussen haakjes is de rangorde uit tabel 3 meegegeven en ook hieruit blijkt dat de Gekraagde Roodstaart in zijn repertoire nogal afwijkt van het gangbare. Toch is de Gekraagde Roodstaart niet uniek. Alle bij hen gevonden soorten worden ook door andere zangers ge´miteerd. Het typerende van Gekraagde Roodstaarten is het imiteren van vinkachtigen. Als wij weer even terug gaan naar de stelling: 'de soorten die hij het meest frequent imiteert zijn typerend voor het biotoop waarin hij leeft' zien wij hier dat dit voor deze roodstaarten niet opgaat. Juist de minst typerende soorten van zijn biotoop worden het meest nagebootst. Zoals Boomklever, Tjiftjaf, Zwarte Specht en Huismus. Voorlopig gaan wij ervan uit dat Gekraagde Roodstaarten de uitzondering zijn die de regel bevestigen.

Met behulp van de zogenaamde tekentoets (95% waarschijnlijkheid) is voorlopig vast komen te staan dat er een aanmerkelijk verschil is tussen Gekraagde Roodstaarten in naald- en in gemengd bos. Tussen de percentages met een * (negen stuks) is er een verschil dat groter is dan 30% en alle ten gunste van roodstaarten in naaldbos!

Kooivogels

Het feit dat ook kooi- of voliŔrevogels worden gekopieerd wijst duidelijk op externe invloeden. Twee waarnemingen van het nabootsen van Grasparkieten (Bejaardencentrum Amsterdam en bungalowpark in Oostkapelle), drie keer van Agapornissen (een kleine papegaaiensoort; park in Den Haag) en drie keer de Japanse Nachtegaal (qua zangscala enigszins gelijkend op Wielewaal) allemaal door Merels. Daarnaast zeven keer het kakelen van kippen door vijf Merels, twee Vlaamse Gaaien, ÚÚn Spreeuw en ÚÚn keer door een Tuinfluiter! Met uitzondering van de Vlaamse Gaai en de Tuinfluiter waren alle imitators in de directe nabijheid van mensen en dus mogelijk ook in de buurt van de ge´miteerde soorten. Om kakelende kippen van een Tuinfluiter te horen is verrassend. Zou hij dat van een Merel hebben overgenomen?

Het thema van de Japanse Nachtegaal is vaker bij Merels gehoord, ook van bosmerels, maar om onbekende redenen zijn van deze bosmerels geen nadere gegevens beschikbaar. Mogelijk wordt dit thema momenteel niet alleen direct van de in gevangenschap levende Japanse Nachtegalen overgenomen, maar ook van Merel op Merel. Alle drie eerder genoemde (stads-)Merels leven bij ons in de wijk. In 1990 hoorden wij voor het eerst het imiteren van een Japanse Nachtegaal door een Merel in onze achtertuin. Sindsdien ben ik daar natuurlijk meer op gaan letten. Behalve deze imitatie floot deze Merel vaak een bepaalde melodie met een persoonlijke herinnering waardoor hij individueel was te herkennen. Een vierde Merel bij ons in de buurt imiteerde zo op het gehoor weinig, maar had toch het thema van de Japanse Nachtegaal in zijn zang verwerkt. Eigenlijk was dit een meer ervaren Merel want hij had alle imitaties inmiddels zover bewerkt dat zij zo goed als niet meer waren te herkennen. Het was, misschien toevallig, deze laatste Merel die het dichtst bij de gekooide Japanse Nachtegaal woonde.

Er is door mij naar gekeken of er een aanmerkelijk verschil is in repertoire tussen bos- en stadsmerels. Dit bleek niet het geval te zijn. Alleen bepaalde geluiden komen van stadsmerels: autoalarm, Japanse Nachtegaal, andere Merels, parkiet, scheidsrechtersfluit en Winterkoning. Andere geluiden komen voornamelijk van bosmerels, zoals: Oeverpieper, Kuifmees en Zwarte mees.

Hierna meer over het imitatiestramien van vogels. 

 

Page Update: 22-07-2015 źĚ╗ ę CNR/FW