CNR-logo

de website ] de hobby ] de club ] de leden ] de teksten ] de weblinks ]

 

de imitators

 

Start
Terug

 

 

 

De imitators onder de vogels

Wim Rougoor

In tabel 1 zijn de prestaties van de vijfentwintig verschillende zangers opgenomen. Boven in de kop van de tabel staan de imiterende zangers. Voor elke soort is er een aparte kolom. In de regels daaronder respectievelijk het aantal bandopnamen, het aantal veldnotities en ten slotte het totaal aantal waarnemingen. Hierbij moet ik meteen opmerken dat van het merendeel van de zangers - zo niet alle - eigenlijk nog te weinig opnamen zijn om betrouwbare conclusies te kunnen trekken. In de eerste kolom daaronder de soorten waarvan delen uit het repertoire gebruikt zijn door deze zangers. De laatste, verticale kolom is ten slotte een totaal waaruit onder andere de populariteit van de leveranciers van de originele fragmenten is af te lezen en waarvan een samenvatting te vinden is in tabel 2.

dennestamZowel meer vogelsoorten als individuen imiteren dan ik oorspronkelijk had verwacht en meer dan algemeen is bekend. Al tijdens het onderzoek zijn er steeds meer gegevens bijgekomen. Van de meeste zangers zou echter nog een veelvoud van het huidige aantal opnamen toegevoegd moeten worden om representatief te kunnen zijn voor de soort. Nu is het nog zo dat iedere toevoeging aan de gegevens drastische wijzigingen in de cijfers tot gevolg heeft. Aan het doel om inzicht te verkrijgen in de imitaties van een aantal vogelsoorten wordt echter toch enigszins beantwoord.

Laten wij de verschillende imitators even langslopen. Vooraf echter de opmerking dat de genoemde percentages NIET slaan op de gehele populatie van een soort, maar op het aantal opgenomen individuen. Voor de algemeen bekende imitators, zoals Bosrietzanger, Spotvogel en Spreeuw, zal dit waarschijnlijk geen erg groot verschil maken. Voor Grasmus, Kleine Karekiet, Rietzanger, Roodborst en Vlaamse Gaai en vele anderen mogelijk echter wel omdat bij hen het imiteren misschien meer tot de uitzonderingen behoort.

Bij de Witgesterde Blauwborst hoorden wij veel het 'krantengeritsel' van de Zwarte Roodstaart (72 %) waar deze aan verwant is. Voor de rest is de variatie groot tussen verschillende Blauwborsten [Lebret 1972, Slijper 1972]. De achttien Blauwborsten komen samen op een gemiddelde van 4,7 imitatie per individu.

De Bosrietzangers imiteerden vaak het voor hen zo typerende Huismussengesjilp (90%). In zes gevallen (30%) ook de Ringmus - waarvan vier tezamen met Huismus - zodat bij alle Bosrietzangers geluiden te horen waren van één van beide mussen. Bijna even vaak als de Huismus hoorden wij een Pimpelmees of het gekwetter van een Boerenzwaluw (85%) en vaak een Kneu (75%) of een Merel (70%). Met 42 soorten (40%) haalden zij een gemiddelde van 11,4 imitaties per Bosrietzanger.

Bijna alle Gekraagde Roodstaarten imiteerden een Vink (93%). Het gemiddelde van 23,1 soorten is misleidend hoog. Echter toch nog beduidend hoger dan de eerstvolgende in rangorde - de Bosrietzanger - met een gemiddelde van 11,4. Daarnaast vermoed ik dat 'spotten' heel algemeen is bij Gekraagde Roodstaarten zodat een hoog gemiddelde wel te verwachten is. Het hoogste aantal imitaties per individu (=34) staat op naam van een Gekraagde Roodstaart. Tezamen waren bij deze roodstaarten 55 van de 106 (= 52%) verschillende geluiden te horen.

Van de zeventien Grasmussen liet bijna driekwart de Boerenzwaluw horen en bijna tweederde een Kneu of een Koolmees. Vooral in de minder opvallende, zachte brabbelzang komen imitaties voor. Het gemiddelde aantal nabootsingen is 8,1 verdeeld over 43 soorten (41%). Met 25 als het hoogste aantal imitaties per individu bereikt de Grasmus toch nog de derde plaats! Hierover straks meer.

Bij zeven van de tien Kleine Karekieten was een Baardmees of Boerenzwaluw te horen en zes keer een Kneu. Of Kleine Karekieten vaak anderen na-apen is mij nog niet duidelijk geworden. Samen komen ze op een gemiddelde van 6,5. Voor imitaties moet er betrekkelijk lang en goed naar ze worden geluisterd en misschien ook wel op bepaalde tijdstippen (van de dag of in het jaar).

Bij de Merel hoorden wij Koolmees in 60% en Pimpelmees, Wulp en Zanglijster in 47% van de gevallen. Drie keer de imitaties van een collega-merel, dat wil zeggen: een soort echobeurtzang. De meeste variatie blijkt bij Merels te verwachten: tezamen brachten zij 56 van 106 (53%) verschillende imitaties ten gehore. Als het gaat om het hoogste aantal imitaties per individu krijgt een Merel de tweede prijs (27 soorten). Het gemiddelde is echter 6,7 imitaties per Merel (zevende plaats).

Bij drie van de vijf Rietzangers is een Kneu of Boerenzwaluw te horen geweest. Hun aantal is echter te laag om betrouwbare cijfers te kunnen opleveren. Rietzangers gooien fragmenten van anderen vrij onopvallend door hun normale zang heen. Het is dus goed mogelijk dat een aantal nabootsingen gemist zijn. Nu is het gemiddelde van hen 6,4 met een totaal 22 soorten. Thijsse [1965] beschrijft een concurrentieslag tussen een Rietzanger en een Blauwborst om het imiteren van de zang een Winterkoninkje.

ZuringIn 71% van de opnamen van Roodborsten was een Koolmees te horen en bij tweederde een Fitis. Meteen daarna komen Vink (58%) en Pimpelmees (56%). Nabootsingen van Fitissen zijn typerend voor Roodborsten en opvallend in het voor- en najaar als de 'echte' Fitissen vertrokken zijn. Misschien is het vooral het vrouwtje die dit geluid (in het najaar) ten gehore brengt? Gemiddeld hoorden wij 6,2 nabootsingen per Roodborst. Imitaties zijn bij Roodborsten vrij moeilijk te ontdekken omdat de zang nogal snel is en omdat de imitaties zich niet sterk onderscheiden van de normale zang. De normale Roodborstenzang bestaat voor het merendeel uit snelle, hoge tonen en de meest bij hen gevonden imitaties zijn ook van vogels met dergelijke zang. Bij de Roodborst kunnen imitaties heel goed in de zang 'weggewerkt' worden, zodat er op het eerste gehoor niets bijzonders is te horen. Pas bij beter luisteren worden nabootsingen hoorbaar.

De Spotvogel is wat uitgebreider: Boerenzwaluw 93%, Scholekster en Spreeuw beide 71%, Merel 64% en ten slotte Kievit en Zanglijster elk 57%. Ze haalden een gemiddelde van 10,6 verdeeld over 36 soorten [Lebret 1982].

Het zal u niet verbazen dat een groot deel van de Spreeuwen gek is met de geluiden van Huismus (71%), Wulp (57%) en Kauw [Adret-Hausberger 1989]. Een Kauw was te horen bij de helft van de Spreeuwen. In totaal werden 33 vogelsoorten (31%) gehoord, maximaal dertien soorten bij één individu en het gemiddeld komt op 5,9 imitaties per Spreeuw. Ze zijn niet makkelijk solo te krijgen. In 1991 deed bij mij thuis één van de Spreeuwen vaak een Merel in de buurt na en een paar keer de 'Woody Woodpecker' van de tekenfilms.

Bij de opgenomen Tuinfluiters vertegenwoordigen de geluiden van Vink 84%, Merel en Kneu 81% en Zwartkop 59% van de imitaties. Een gemiddelde van 7,3 is geen slecht cijfer (zesde plaats). Het hoogste aantal imitaties bij één Tuinfluiter was 17!

Bij drie van de zes Vlaamse Gaaien hoorden wij Spreeuw en Wilde Eend. In de regel laat een Vlaamse Gaai minstens drie verschillende geluiden horen in zijn onopvallende, zachte zang. Niet te verwarren met zijn vele rauwe kreten. De meest bekende imitatie, die van de Buizerd, is maar in twee gevallen gehoord. Hun aantal is dan ook veel te laag voor goede, betrouwbare cijfers. Thijsse [1965] noemt de imitatie van mezen, de lijsterzang, het gekef van eekhoorntjes, kattengemauw en keffen van een hondje.

De Zanglijster laat vaak een Scholekster (78%), Koolmees (65%) of een Wulp (61%) horen. Gemiddeld komen daar nog 4,5 soort bij. Tezamen lieten alle Zanglijsters 44 verschillende imitaties horen en het hoogste aantal van één Zanglijster was 17.

Bij de Zwartkop zijn de geluiden van Kneu (57%) en daarna die van Zanglijster (48%) populair. Zwartkoppen hebben niet veel noten op hun zang als het om imiteren gaat: totaal 27, maximaal 9 bij één individu en gemiddeld 3,8 imitaties per Zwartkop. Ze hebben onderling niet veel gemeen [Cornelius & Kettle 1990]. In de tweede helft van juli 1991 kwamen wij een Zwartkop tegen in het Harderbos, Flevoland die direct opviel doordat zijn zang vaak eindigde met een staccato deel als van een Glanskop. (Dat wil dus zeggen: géén imitatie van een Glanskop.) Omdat wij een opname van ruim twintig minuten van deze aparte zang maakten hoorden wij ook nog acht imitaties: het hese, langgerekte 'iiets' van een Merel, het gebrabbel van Heggemus, Tuinfluiter en Kneu, de schallende tonen van Zanglijster en zelfs geluiden van Rietzanger, Kleine Karekiet en Nachtegaal. In het vroege voorjaar lijken veel Zwartkoppen op Nachtegalen, terwijl er dan nog niet altijd sprake is van duidelijke imitaties. In dezelfde periode lijken veel Roodborsten op Fitissen. Misschien is er dan een 'gat-in-de-markt' of speelt mijn gehoor hierbij parten?

Minder algemene soorten

Over de imitatie van een Zwartkop door een Bonte Vliegenvanger is een verslag gepubliceerd in een nummer van het Vogeljaar [Rougoor 1991].

De Braamsluiper heeft een onopvallend brabbelverhaaltje dat vooraf gaat aan het overbekende en kenmerkende geratel waaraan hij zijn volksnaam te danken heeft. In dit zachte en onduidelijke brabbelliedje komen mogelijk de meeste imitaties voor. Maar omdat dit snel en haast binnenssnavels gebeurd is het merendeel voor mij niet te ontcijferen. Tot nu toe is er één exemplaar geweest waarbij ik een klein aantal imitaties heb kunnen herkennen.

Veel Groenlingen lijken met hun trillers en rollers op zangkanaries in een voliére en hebben delen zang in overeenkomst met het weemoedige liedje van de Geelgors. Aan beide soorten zijn Groenlingen verwant. Misschien is dat toeval. Toch zijn dit nog geen imitaties. Van twee Groenlingen heb ik duidelijke nabootsingen gehoord en tussen beide is geen overeenkomst: één exemplaar met Huismus, Merel en Scholekster en de andere met Pestvogel en Tureluur. Het bedoelde geluid van een Pestvogel is ook een triller, echter weer anders dan die van een kanarie en veel metaalachtiger dan het 'zilveren belletje' van de Pimpelmees.

De Tapuit imiteerde: Koolmees, Kramsvogel, Merel, Putter, Rietgors, Vink, Winterkoning en Zwarte Roodstaart. Daar van werden beide laatste het meest ten gehore gebracht. Het was dank zij de geluiden van een Zwarte Roodstaart dat wij deze zanger ontdekten. Stel u eens voor: middenin het Elspeetse boerenland hoorden wij het krantengeritsel van een Zwarte Roodstaart! Dit kwam ons zo vreemd voor dat wij op onderzoek uit gingen. Hoewel wij dat ook niet verwachtten, konden wij in het weiland naast ons - daar kwam tenslotte het geluid vandaan - niets ontdekken. Ook het naspeuren van de vele paaltjes rondom het weiland leverde niets op. De boerderij achter het weiland was te ver verwijderd om een zo sterk geluid te kunnen verklaren. Gelukkig kwam de zanger spoedig in beweging en zette zich op een van de paaltjes halverwege het weiland. Pas toen konden wij zien dat het een Tapuit was die zo'n vreemd mengsel van geluiden voortbracht. Later kwam deze Tapuit nog in de berk vlak achter ons zitten zingen en hebben wij, heel dankbaar, daar een mooie opname van kunnen maken.

Naar mijn idee komen in de zang van de Veldleeuwerik regelmatig imitaties van andere vogelsoorten voor. Deze zijn echter moeilijk te ontcijferen door de snelheid van de zang en de grote afstand (= zachte geluiden en meer storende invloeden). De imitaties worden vrij onopvallend tussen de 'eigen' geluiden door gegooid.

Bij de Vink werd één keer vrij kort de zang van een Geelgors herkend. Deze imitatie kwam in de zang op de plaats van het 'aanloopje' in de slag. Qua structuur (melodie?) komt het begin van beide frasen overeen.

wielwaalDe enigste opgenomen Wielewaal imiteerde zowel het ritselen van rietstengels alsook de rauwe kreet 'gaai' van de Vlaamse Gaai. Vermoedelijk staat deze waarneming niet op zichzelf en is dit imiteren door Wielewalen vaker te horen. Waarschijnlijk zelfs nog meer geluiden, maar mogelijk komen zij - net als bij de Vlaamse Gaai - vooral voor in de veel zeldzamere, zachte zang. Het ritselen van rietstengels is een geluid dat wij vooral kennen van de Rietzanger en dat ook door enkele Tuinfluiters ten gehore wordt gebracht. Men zou daarom kunnen stellen dat zowel de Wielewaal als die Tuinfluiters daarmee een Rietzanger na-apen, maar daar ben ik niet van overtuigd.

Van een aantal, meestal zeldzamere soorten of in elk geval met een zeldzamere zang, zijn helemaal geen gegevens beschikbaar om een beeld van hun imitatietalent te kunnen geven. Zoals Kauw, Paapje, Roodborsttapuit, Klapekster en de klauwieren [Sluiters 1968, Thijsse 1965]. En het is zeker niet uitgesloten dat bij nog andere vogelsoorten imitaties voorkomen. 

Meer over de populariteit & in het imitatietalent van vogels. 

 

Page Update: 22-07-2015 «·» © CNR/FW